Home Redactie Column Treinreis
Treinreis
Column

Het is zondagavond en ik zit in de trein. Het afgelopen weekend bestond uit veel feesten, gezelligheid en lachen. Ook uit weinig slaap en ik begin me nu toch wel wat moe te voelen. Ik kijk hoe laat het is. Al één uur van huis en nog zeker 2,5 te gaan. ‘Hoe ga ik de komende uren doorkomen?’ vraag ik me al gapend af. “Gelukkig� reis ik bijna wekelijks heen en weer tussen Zaandam en Maastricht en heb ik de reis naar het verre zuiden al regelmatig in verregaande staat van vermoeidheid doorgebracht. Ook al was dat niet altijd een pretje, overleven deed ik het wel. Met die gedachte praat ik mezelf moed in en ik vraag me af wat de reis me vandaag gaat brengen.

Ik blader en lees net wat in het tijdschrift Rails, als er een groep jongens van een jaar of 17 de coupé binnen komt. Luid pratend en waarschijnlijk net uit de coffeeshop gerold. Aan de andere kant van het gangpad zitten twee jongens, type computernerd en sullige rocker, met als bagage een gitaar zonder “verpakking�. Plots maakt het ding geluid en ik lach als ik me realiseer dat één van de blowers zo brutaal is geweest om snel een paar vingers over de snaren te halen. De eigenaar van de gitaar ziet er de humor niet van in en moppert wat. Kort daarna komen er weer twee mensen door het gangpad en ik herken twee van de pubertjes van even daarvoor. Eigenlijk voel ik het al aankomen, maar ik durf er mijn geld nog niet op te zetten. ‘Had ik dat maar wel gedaan’, denk ik al snel, wanneer mijn medereizigers en ik wederom worden getrakteerd op een wel zeer kortstondige gitaarsolo. De sul probeert de puber nog te grijpen, maar is te laat. ‘Hij had het dus niet zien aankomen’, concludeer ik en zie me een winst in de weddenschap door de neus geboord. Ik giechel nog wat na, terwijl mijn buren vooral verontwaardigd zitten te brommen. Een laatste glimlach verschijnt op mijn gezicht wanneer de nerd oppert om de gitaar andersom neer te zetten en dit idee door de sul wordt afgewezen omdat het slecht voor de snaren zou zijn.

In Utrecht stapt een aantal mensen uit en krijg ik er veel nieuwe medereizigers bij. Tot zover mijn kans om met mijn hoofd op mijn tas, die op de stoel naast me staat, nog een beetje bij te slapen. Ik lees weer verder om de verveling en vermoeidheid te bestrijden. Als ik net volkomen relaxed ben en opga in mijn leesvoer, krijg ik zowat een hartverzakking. Het telefoontje van mijn overbuurvrouw dat op het tafeltje tussen ons in ligt produceert een zeer luid polyfoon geluid om haar te laten weten dat ze een sms heeft ontvangen. Helaas is de boodschap van de “Aardig� campagne, waarin mensen in de trein op hun belgedrag worden gewezen, nog niet tot haar doorgedrongen. Gelukkig heb ik mijn normale hartslag weer vrij snel terug en wordt het geen ellenlange sms-conversatie, want dan was het slecht met me afgelopen (of misschien wel met het telefoontje). In Eindhoven aangekomen, realiseer ik me dat ik nog maar een uur treinen en een klein stukje met de bus voor de boeg heb. Dat gaat lekker vlot zeg! De Mars die ik op Amsterdam CS had gekocht heb ik inmiddels op en ik baal dat ik niet nog wat te eten bij me heb. Vlak voor Weert begin ik me te storen aan het feit dat ik mijn benen niet lekker kwijt kan. Het ziet er helaas niet naar uit dat mijn overbuur gaat uitstappen, dus ik zit voorlopig nog even krap. ‘Niet aan denken’, herinner ik mijzelf terwijl ik voor de zoveelste keer mijn benen wat probeer te verschuiven, ‘wees blij dat je geen twee meter bent!’

Ik kijk naar de mensen om mij heen. Weinig interessants te zien. ‘Hoe kan dat toch’, vraag ik me af als ik terug denk aan de oproepjes van NS-klanten aan ex-medereizigers om contact op te nemen, ‘dat er mensen zijn die verliefd (denken te) worden na wat verlegen oogcontact?’. Ik breng op jaarbasis toch zeker zo’n 200 uur in de trein door maar raak zelden in gesprek met, laat staan dat ik verliefd word op, mijn medereizigers. ‘Zijn zij dan zo romantisch? Ben ik te kritisch? Of kom ik nors over? Misschien zit ik wel in de verkeerde trein en moet ik eens een andere route uitproberen….’ De vrouw schuin tegenover me kijkt me meewarig aan als ik van ellende (mijn zere knieën, maar inmiddels ook een beurs achterste) nogmaals ga verzitten. De jongen naast me fluistert zachtjes in zichzelf. ‘Misschien oefent hij wel een openingszin (die hij nooit zal durven uitspreken en die ik in de volgende Rails zal teruglezen). Ik hoop het niet, want aan zijn schoenen te zien is het niet mijn type’. Bovendien heb ik geen zin om te praten, want dat heb ik dit weekend al genoeg gedaan. De laatste 35 minuten breng ik zwijgend en denkend over de reis door.

De score: een lach, een bijna-hartverzakking, nog meer trek in chocolade, een zeer onderstel en een bijna-oproep van de jongen naast me in de volgende editie van Rails. Als ik uitstap verbaas ik me dat het zo snel is gegaan en heb ik bijna-zin in de terugreis die ik aankomende vrijdag ga maken.

Annemarie 

 

Share/Save/Bookmark